Geschiedenis van het Toernooi

Het beeld van ridders in harnassen die, gezeten op strijdrossen met de mooist versierde dekkleden, op elkaar afstormen met de lansen in de aanslag is een van de meest beminde en heroïsche beelden uit de geschiedenis. Dit beeld kan makkelijk naar voren geroepen worden door wie dan ook, zelfs al heeft diegene nauwelijks waardering voor dit erfgoed. Maar waar gaat dit nu eigenlijk echt over?

Inhoudsopgave:

Termen die bij het Toernooi gebruikt worden
De oorsprong van het Toernooi
Pogingen om Toernooien te controleren
De verbreiding van de populariteit
Het Toernooi als spektakel
Het Toernooi in de vijftiende eeuw
De teloorgang van het steekspel
Referenties

Inhoudsopgave

Termen die bij het Toernooi gebruikt worden

Ten eerste moeten de termen die bij het toernooi gebruikt worden uitgelegd worden. Het toernooi zelf was vroeger slechts een onderdeel van het totale evenement, hoewel tegenwoordig het woord toernooi vaak synoniem gesteld wordt aan het totale evenement. Het steekspel was een ander specifiek onderdeel. Het toernooi, of melée, was het hoogtepunt van het evenement en was in principe een massagevecht te paard, over het algemeen tussen georganiseerde teams die botte zwaarden gebruikten (zie illustratie rechts); zwaarden gemaakt van walvisbotten of gewatteerde stokken. Dit was het oudste strijdonderdeel en was waarschijnlijk de eerste vorm van ridderlijke bezigheid. Het stond in hoger aanzien dan het steekspel, dat als het meest gevaarlijke onderdeel bestempeld werd. Toen dit woeste wedstrijdonderdeel minder vaak bij het evenement te vinden was, werd de term toernooi steeds meer voor het gehele evenement gebruikt.

Vroeger werd het gehele evenement vaak 'hastiludium' of 'hastilude' genoemd, wat letterlijk 'spel met speren' betekent. Hoewel deze term populair was in Frankrijk en Engeland, lijkt het in onbruik te zijn geraakt na 1400.

Het steekspel was een wedstrijd tussen twee individuele deelnemers die lansen gebruikten, alhoewel deze deelnemers ook als lid van een team konden strijden, dit was afhankelijk van hoe het evenement als geheel was georganiseerd. Het steekspel werd populairder toen het toernooi zich ontwikkelde als een publiekelijk spektakel, omdat een individuele ridder op deze manier meer de mogelijkheid kreeg om zichzelf in de schijnwerpers te zetten en zijn moed en bekwaamheid kon tonen.

Andere onderdelen bestonden vaak uit gevechten in harnas te voet met een keuze uit wapens (bijvoorbeeld het zwaard of de pollaxe). Deze gevechten duurden vaak zo lang tot een van tevoren afgesproken aantal slagen waren uitgedeeld of uitgewisseld. Het lijkt erop dat zulke gevechten vaak tussen twee individuele strijders plaatsvonden (zelden en masse) en altijd met gelijke wapens. Incidenteel is er een referentie naar het spelen van een schaakspel als een ander onderdeel, om de vaardigheid van de ridder als leider van een leger te testen, naast het testen van zijn kracht met wapens.

Inhoudsopgave

De oorsprong van het Toernooi

Het begintijdperk van het toernooi is moeilijk te definiëren omdat de onderdelen van het toernooi zelf door de tijd heen geëvolueerd zijn. De Romeinse cavalerie beoefende de 'Hippoca Gymnasia' of 'paardensporten' vanaf de tijd van het Romeinse Keizerrijk. Dit werd vaak op een afgekondigde dag gehouden (in tegenstelling tot een normale trainingssessie) en er werd gebruik gemaakt van gespecialiseerde harnassen en veel decoratieve versieringen. Tijdens deze sporten wisselden de teams af bij het spelen van aanvaller of verdediger, om in colonne te draaien of terug te vallen in eskaders (groepen). Het wapen dat gebruikt werd is de werpspeer, maar met een houten punt in plaats van de gewoonlijke scherpe ijzeren punt.

Vaak wordt het hippische evenement dat in 842 ter ere van het verbond tussen Lodewijk de Duitser en Karel de Kale werd gehouden, als eerste toernooi beschouwd. Veel geschiedkundigen weerleggen dit, omdat er geen sprake lijkt te zijn van een slagenwisseling tijdens de show. Het heeft duidelijk meer overeenkomsten met de militaire manoeuvres uit Romeinse tijden, maar dat is als je er vanuit gaat dat deze show meer gelijkenissen vertoont met ons idee van het toernooi tijdens zijn glansperiode.

Het eigenlijke toernooi wordt steeds vaker herkenbaarder naarmate het einde van de elfde eeuw nadert. In deze tijd had de Frankische cavalerie het gebruik van de gevelde lans ontwikkeld (in combinatie met de stijgbeugel, die al gedurende enkele eeuwen in gebruik was). Bij het vellen van de lans, oftewel het achterste stuk van de lans onder de arm te steken, werd het bereik van de lans groter; wanneer de lans met één hand gebruikt werd, men de lans op het evenwichtspunt, halverwege de lans, vast moest houden. Naast het grotere bereik zorgde de gevelde lans er ook voor dat de chargerende ruiter het voordeel van de volledige kracht van het moment en gewicht achter de stoot kon brengen. Anna Comnena, een Byzantijnse prinses, had een dergelijke groep Frankische ruiters gezien en riep dat de kracht van hun charge "een gat in de muren van Babylon kon breken". Het wordt aangenomen dat deze tactiek zijn oorsprong heeft in Noord Frankrijk en met groot effect werd gebruikt tijdens de Eerst Kruistocht. Het zou zich verder ontwikkeld hebben in de Normandische overwinning in Engeland. Het Bayeux Tapijt lijkt een aantal Normandiërs te paard af te beelden met lansen onder hun arm, naast mannen die de lansen als werpsperen gebruikten.

Deze techniek met de gevelde lans vereiste veel training om ervoor te zorgen dat je in het zadel bleef zitten wanneer je het doel raakte, maar belangrijker nog was het een team-inspanning om de charge gesynchroniseerd te laten verlopen zodat een hele groep ridders als één op hun vijand in konden rijden. Daardoor was oefening in teamwork noodzakelijk. Het toernooi voorzag in deze behoefte.

In het begin bestond het toernooi alleen uit het spel van de melée, dat op een aantal vierkante kilometer land met behulp van militaire manoeuvres werd uitgevochten. Rivieren, bossen en agrarische gebouwen zorgden voor terreinaspecten waar een geslepen teamleider goed gebruik van kon maken bij hinderlagen of wanneer hij terug moest vallen. Grenzen bij deze schermutselingen waren vaag, maar een toernooi kon worden gehouden tussen twee dorpen. Dit wil niet zeggen dat de twee dorpen voldoende ridders konden leveren om te strijden, maar dat het gebied tussen de dorpen in het toernooiveld was en de twee bebouwde gebieden waren de uitvalsbases van de teams.

Deze ruwe gevechten hadden geen regels noch scheidsrechters die de boel in de gaten hielden. De enige bepaling was dat er speciale gemerkte gebieden waren die niet betreden mochten worden en waar je dus ongestoord kon rusten of een nieuw wapen kon halen. De andere regel was het concept van 'sine qua non' - het doel was om de tegenstander te overmeesteren en gevangennemen, en hem niet te doden. Het was normaal dat een aantal ridders samenspanden tegen een andere ridder, zelfs als deze laatste een vitaal onderdeel van zijn harnas verloren had. Meerdere teams konden deelnemen, met soms wel 200 ridders per team, dat geleid werd door hun opperheer waaronder deze ridders in een echte strijd ook zouden dienen. Het was dan ook erg moeilijk om deze toernooien van echte gevechten te onderscheiden en klachten over het gebruik van boogschutters werden gehonoreerd. Hierdoor bleef het nog leuk als spel en lag de nadruk op het gevecht te paard (en niet op het ontwijken van pijlen). Deze regel zou een van de eersten kunnen zijn die het onderscheid tussen toernooi en werkelijke militaire oefening onderstreept.

Dergelijke evenementen konden zeer zeker fataal aflopen voor de deelnemers, ondanks dat het doel slechts gevangennemen was. Het doden van een politieke tegenstander of het bevorderen van een vendetta onder het mom van een ongeluk tijdens het toernooi was een opportune tactiek.

Tegen de tijd dat de twaalfde eeuw begon waren de toernooien in opkomst. Op een bepaald moment vertelt de Byzantijnse prinses Anna Comnena over een interessante situatie die zich voordeed toen een Frankische ridder tijdens de Eerste Kruistocht stennis schopte door op de troon van de Keizer te gaan zitten, en hem op deze manier diep beledigde. De ridder verdedigde zichzelf door te zeggen dat hij van nobele komaf was en beschreef zijn moed en bekwaamheid als volgt:

"Er is een ding dat ik weet: op een kruising in het land waar ik geboren ben is een antieke schrijn: iedereen die wenst een gevecht aan te gaan, gaat daarheen, voorbereid om te vechten. Daar bidt hij tot God om Hem om steun te vragen en daar wacht hij op die man die het durft zijn uitdaging aan te nemen. Op dat kruispunt heb ikzelf veel tijd doorgebracht, wachtend en verlangend naar de man die met mij wilde vechten, maar er is nooit iemand gekomen die dit durfde."

Dit levert een andere activiteit op in tegenstelling tot de massale vechtspellen - een gevecht tussen twee personen op een kruispunt, de wachtende tegen allen die langskomen. Dit lijkt te zijn gedupliceerd in de latere 'pas d'armes' rituelen van dolende ridders uit literaire romances, waar een uitdager een bepaalde plek verdedigt tegen iedereen die zijn uitdaging beantwoordt.

Inhoudsopgave

Pogingen om toernooien te controleren

Rond 1130 was de sport inmiddels wijdverspreid. Het was in ieder geval voldoende overvloedig dat de Kerk zich met de zaken ging bemoeien om de onstuimige ridders te controleren en een halt toe te roepen aan het bloedvergieten en de vernietiging van de gewassen van de dorpelingen - of zelfs de vernietiging van de dorpelingen zelf. De plaatselijke kerkraden probeerden de spelen te beperken tot dagen die geen feestdagen of heilige dagen waren, maar door de Raad van Cleremont werd in 1130 bepaald:

"Wij verbieden ten strengste dat die verachtelijke markten of kermissen nog plaatsvinden waarbij ridders gewoon zijn elkaar te ontmoeten om hun krachten en dapperheid te tonen en waarbij de dood van mannen en gevaren aan de ziel vaak voorkomen. Maar als iemand daar gedood is, zelfs als hij vraagt om boetedoening en de Heilige Hostie en als deze hem niet geweigerd worden, zal de kerkelijke ter aarde stelling hem onthouden worden"

Het is opvallend dat de term toernooi hier niet genoemd wordt, het is duidelijk dat dergelijke zaken al probleemgevallen waren voordat deze term in het algemeen werd toegepast.

De Kerk handhaafde haar stelling dat het zoeken naar eer in toernooien een zonde van ijdelheid was en dat het verspillen van Christelijk bloed door andere Christenen een openlijke belediging was aan God (hoewel zij Christelijke ridders innig stimuleerde om hun energie te spillen aan het afslachten van de heidenen (niet-Christenen) in het Heilige Land!). In werkelijkheid was het toernooi een gevaar geworden voor de politieke stabiliteit - naast het vervolgen van persoonlijke vetes kon de verzameling van manschappen voor een toernooi door een veldheer als dekmantel voor het verzamelen van een leger om een opstand te beginnen.

Hoewel het gebrek aan een Christelijke begraving een serieuze zorg was in de middeleeuwen, blijkt het dat de ridders dit niet te serieus namen, want de toernooien bleven bestaan. Het kan zijn dat het besluit van 1130 over het hoofd werd gezien op plaatselijk niveau (de Kerk hield van het beschermheerschap van de ridderklasse), of wellicht deden de ridders gewoon aan deze gevechten mee, niet verwachtend dat ze eraan ten onder zouden gaan.

Omdat het de Kerk niet gelukt was de uitspattingen van de ridders te beperken was de staat nog steeds in gevaar voor een opstand onder de pretentie van een toernooi. Des te meer bleef het vertrappen van het land van onschuldige boeren een probleem. In Engeland slaagde Richard I erin de excessen aan banden te leggen bij besluit in 1194. Door het verbod van de Kerk schandelijk in de wind te slaan, gaf hij toestemming om de sport voort te zetten binnen staatscontrole en beperkingen. Vijf vaste gebieden werden ervoor gereserveerd, in Wiltshire, Warwickshire, Suffolk, Northamptonshire en Nottinghamshire. Voor 10 mark kon een bewijs van toestemming gekocht worden om op een van deze plekken een toernooi te houden, met nog een extra betaling naar rang en dus naar vermogen. Dit besluit legde niet alleen een financiële belasting op de sport, maar verbood ook aan buitenlandse strijders om deel te nemen (en verwijderde zo het risico van een bewapende invasie of buitenlandse huurlingen die het land in gebracht werden onder het voorwendsel van het toernooi).

Inhoudsopgave

De verbreiding van de populariteit

De literatuur was een belangrijk hulpmiddel bij het sturen van het toernooi. De chansons de geste uit de vroege twaalfde eeuw beschreven veldslagen en benadrukten de banden van loyaliteit ten opzichte van de opperheren. Het bestond geheel uit nobele en mannelijke zaken, maar was, behalve bij de mannen die het aanging, geen populair leesvoer. In de jaren zeventig van de twaalfde eeuw ontstonden nieuwe romantische vertellingen, de zogeheten romances. Deze verdichtingen bevatten scènes met hoofse liefde en het dienen van de jonkvrouw die deze liefde inspireerde, gezet aan een rijk hof vol van ceremonie en kleur. Helden van deze fictieve verhalen vochten voor de eer van de jonkvrouw, stelden hun kunsten en moed ten toon en wonnen de liefde van de jonkvrouw.

De beschermheren van de literatuur waren vaak dezelfden als degenen die een toernooi organiseerden, en zo kwam het dat het toernooi vaak duidelijk aanwezig was in de romances, met een romantisch 'plot' dat in het toernooi geschreven werd. Tegen het einde van de twaalfde eeuw had het toernooi een stevige basis in de mythologie en was het een zeer realistische bezigheid voor de rijkelui. Hoewel er in de verschillende Christelijke landen kleine plaatselijke verschillen ontstonden over hoe exact het toernooi verliep, er waren voldoende overeenkomsten dat ridders van land tot land konden reizen om hun hobby te bezigen.

Inhoudsopgave

Het toernooi als spektakel

Door de verbreiding in de literatuur en beperking tot bepaalde terreinen, werd het relevant en acceptabel om het gebied van de spelen te verkleinen zodat het een publiekelijk evenement kon worden. Hoe anders konden de zeer geëerde dames zelf zien of hun ridders waardig waren als de strijd zich over kilometers land uitstrekte? Hoe konden dichters en minstrelen, verhalenvertellers, nobelen en gasten weten van de moed en bekwaamheid van een ridder in kwestie? Dit, en de hoofse sociale gebeurtenissen (passend bij die romantische verdichtingen) die bij deze bijeenkomsten van de adel hoorde, leidde tot het beperken van de gebeurtenissen in een arena, de zogeheten 'list' (zie illustratie). Nu konden toeschouwers eersteklas plaatsen gegeven worden zodat ze comfortabel konden zitten. Veel versieringen, mooie kostuums, bonte kleuren en uitgebreide ceremonie konden toegevoegd worden aan de gebeurtenissen, ook banketten werden vooraf en/of naderhand gehouden en prijzen werden uitgedeeld. Ja, zelfs kon een toernooi toegevoegd worden ter opluistering van een sociale gelegenheid, zoals een bruiloft, net zoals een feest gegeven kon worden om het toernooi in aanzien te verhogen. Toernooien konden worden gehouden als een feestelijk item om het einde van een militaire campagne aan te geven, bij een kroning, bij de ridderslag of als onderdeel van de gastvrijheid die je een buitenlandse waardigheidsbekleder schenkt.

Aan het begin van de 14e eeuw was het toernooi een afgebakend geheel - veel van de gevaren van gewapende opstand waren geweken en alle lukrake vernielingen in de agricultuur waren een halt toegeroepen. Ook dodelijke 'ongelukken' waren sterk verminderd vanwege de verandering in de aard van hoe de spelen gehouden werden. Er werden veel beperkingen en regels opgelegd; er waren maarschalken of scheidsrechters die aan het hoofd stonden van de gedragsregels en de scores, herauten verkondigden de uitdagingen die door de deelnemers verklaard waren. Afzonderlijke dagen waren gereserveerd voor verschillende evenementen. Een toernooi begon vaak op een dinsdag (maandag was een oefendag) zodat alles afgerond was op vrijdag (een feestdag). Ridderlijkheid, een belangrijk punt in deze romances, stuurde het gedrag van de ridder zowel binnen als buiten de list. De melée volgens oude stijl werd ferm terzijde gezet, en wordt niet meer genoemd na 1342. Het steekspel had duidelijk de centrumpositie ingenomen.

steekspel der oorlogToernooien kwamen ook voor als een zijshow van echte oorlog. Hoffelijke bijeenkomsten werden 'a pleasance' gehouden, met bot gemaakte wapens - vaak werd dit het steekspel der vrede genoemd. Een steekspel der oorlog, 'a outerance' hield in dat met scherpe wapens gevochten werd (zie afbeelding). In de tijd van de oorlogen van Engeland met Schotland en specifiek tussen Engeland en Frankrijk (dat bekend stond om de dapperheid van haar ridders), zochten de ridders gelegenheden om hun toernooivaardigheden te testen. Een slagveld was een chaotische plaats waar individuele vermaardheid niet opviel. Maar tijdens een kleine schermutseling of steekspel met scherpe lansen kon een ridder belangrijke glorie verkrijgen. Als gevolg konden deze gestileerde spelen de bizarre overgang terug naar het originele decor van oorlog brengen.

De Engelse koningen waren vaak van belang bij de fluctuaties in de frequentie en populariteit van de toernooien. Edward I deed vaak zelf mee, zelfs tijdens de dreiging van de burgeroorlog in 1260. Militaire verplichtingen vanaf 1290 verlangde dat er legers naar Schotland, Wales en Gascogne gestuurd werden, en Edward was verplicht enkele ridders gevangen te zetten omdat ze zijn legers verlieten tijdens een rustige periode van het vechten. Ze hadden ervoor gekozen om terug naar Engeland te gaan om deel te nemen aan toernooien. Edward I was in zekere mate slachtoffer van zijn eigen succes in propaganda, want hij had enkele 'ronde tafels' van ridders ingesteld om hun 'esprit de corps' te verhogen en om ze te inspireren om voor hem te vechten. Dit had dus duidelijk niet het beoogde doel.

Edward II deed juist niet mee met deze vechtsport en maakte de fout door toestemming te geven aan degenen die er wel lol in hadden deze toernooien te organiseren. Dit zorgde voor een gelegenheid waar zijn politieke tegenstanders gebruik van maakten. In 1312 gebruikten zijn graven het voorwendsel te verzamelen voor een toernooi om hun legers te concentreren en om met deze versterking de favoriete graaf van de koning, Piers Gaveston, van het toneel te verwijderen.

Edward III was daarentegen weer een enthousiasteling voor het toernooi. Het wordt gezegd dat hij een aantal steekspelen gehouden heeft ter gelegenheid van zijn kroning en dat hij drie weken lang steekspelen, dansfeesten en andere vieringen gehouden heeft toen hij ging trouwen in 1328. Zijn vrouw Phillipa van Hainault keek zeer graag toe bij het toernooi en was vaak te vinden bij de toernooien die haar man organiseerde. Doordat het steekspel zelfs bij de koningin in trek was, heeft dat geleid tot een toename in vrouwelijke bezoekers bij het toernooi.

De toevoeging van kostuums en thema's bij de toernooien zorgde ervoor dat de gebeurtenissen nog populairder werden. De deelnemers konden zelfs een type of rol toegezegd worden, bijvoorbeeld in Cheapside, Londen, waar in 1331 een kruistocht thema was gebruikt en de 'verdedigers' waren uitgerust als Tartaren, en zij werden elk door de straten geleid door een dame in bijpassende kleding. Hiertoe was het marktplein uitgerust met een list en werden tribunes gebouwd voor de toeschouwers (waarvan enkele niet heel stabiel bleken te zijn en met publiek en al naar beneden kwamen zetten).

Na hun terugkeer van de succesvolle campagne in Calais hielden Edward III en de Zwarte Prins een serie van steekspelen. Deze toernooien waren duidelijk extravagant want de Koninklijke Garderobe kreeg het erg moeilijk met het maken van weelderige kostuums voor 6 verschillende toernooien. Het hele huishouden van de koning en van zijn vrouw waren aanwezig, samen met alle gevangen vijandelijke nobelen, waaronder de Koning van Schotland. Deze evenementen gaven Edward niet alleen de gelegenheid zijn geweldige gevangenen te paraderen maar zorgde ook voor een verhoging van zijn internationaal allure als een ridderlijk persoon. Tien jaar later kon Eward III dit gebeuren herhalen met zowel de Koning van Schotland als de Koning van Frankrijk als 'gasten'.

Richard II bleek een verkwistende opvolger te zijn in de functie van de koninklijke beschermheer van het toernooi dat door zijn voorgangers was opgezet. Hij was verstandig genoeg om het voorrecht van koninklijke beschermheerschap niet uit zijn handen te laten glippen ten gunste van zijn politieke tegenstanders. Zijn steekspelen van 1390 werden internationaal aangekondigd en werden bijgewoond door de graven van St Pol en Ostrevant en de Hertog van Gelre. Richard III leidde twintig ridders door Londen naar het toernooiveld bij Smithfield. Hij probeerde dit succesvolle evenement acht jaar later te dupliceren in Windsor, maar deze gelegenheid werd door minder nobelen bijgewoond omdat Richard in die tijd met veel vijandigheid werd bejegend.

Henry VI was nooit een opmerkelijke beschermheer na zijn kroning, hoewel hij voor die tijd een actieve beoefenaar van het steekspel was. Een moordaanslag bij een steekspel te Windsor heeft hem waarschijnlijk behoedzaam gemaakt. Hij heeft wel een aantal toernooien georganiseerd, maar deze waren normaal gesproken bij gelegenheden die volgens protocol een toernooi vereisten, zoals de kroning van zijn vrouw als koningin of de aankomst van buitenlandse koningen en keizers bij staatsbezoeken.

Henry V was betwistbaar de meest oorlogszuchtige en militair vaardige koning uit middeleeuws Engeland, maar het kan niet worden gezegd dat zijn interesse in de richting van het toernooi of het steekspel lag. Zijn toewijding tot zijn oorlogsvoeringen in Frankrijk belette hem enige interesse in het stoeien met deze sport te tonen. Hij nam het zelfs een stap verder dan zijn voorgangers; bij de gelegenheid van zijn huwelijk met Catherina van Frankrijk stelden de Fransen voor om de verplichte feestelijke steekspelen te houden. Henry's kille antwoord hierop was dat de krachten van zijn ridders beter benut werden bij een belegering van Sens!

De benadering die Henry V had tot het koninklijke beschermheerschap van de toernooien lijkt nadien algemeen te zijn geworden. De officiële benadering was nu dat het steekspel een leuk entertainment was om oefening op te doen in tijden van vrede, maar wanneer er oorlog was, waren deze decadente gebeurtenissen en verkwistende toernooien een verspilling van energie en geld en de krachten van de ridders waren beter benut bij het bestrijden van de vijand. Gegeven het feit dat de verwachtingen voor de toernooien inmiddels zodanig extravagant waren, kostte het een fortuin om een dergelijk evenement te houden. Hierdoor was het organiseren van een steekspel voorbehouden gebleven aan de rijkste adel of het koninklijk huis, en omdat zij allen elders bezig waren werden er in Engeland voor een geruime tijd geen grootschalige steekspelen meer georganiseerd.

Inhoudsopgave

Het toernooi in de vijftiende eeuw

Rond deze tijd waren de kosten van het organiseren van en deelnemen aan een volledig toernooi zodanig hoog dat ze vergelijkbaar zijn met het tegenwoordige Formule-1 racen. De spelen zelf waren inmiddels zo gestileerd dat de activiteiten binnen de list - vergeleken met echte oorlogsvoering - volgens deze analogie toegelicht kunnen worden. Vergelijk de kosten van Formule-1 evenementen vandaag de dag en de rijvaardigheden van de coureurs met de kosten en praktische vaardigheden van een normale autobestuurder.

Op het vasteland werd een alternatief voor het toernooi populair - de pas d'armes, waarbij een idividu of een team van ridders verklaarden een bepaalde plek te verdedigen tegen alle nieuwkomers - ofwel in het kader van sport (a plaisance), ofwel met echte scherpe wapens (a outerance). In Engeland werden deze meer lokale en minder verkwistende ontmoetingen, the Behourd, voortgezet. Deze gebeurtenissen waren in het verleden populair geweest in de provincies, en bij afwezigheid van de koninklijke extravaganties voldeden zij aan de ridderlijke aspiraties en konden bij een beperkt budget uitgevoerd worden. In enkele opzichten was dit, betwistbaar, een puurdere versie van de sport - deelnemers kwamen vechten ondanks het gebrek aan glitter en glamour van de grote evenementen.

Het koninklijke toernooi werd op het vasteland nog steeds gehouden, in Spanje, Portugal, het Heilige Roomse Keizerrijk (het huidige Duitsland) en Bourgondië. Koning Rene van Anjou, een belangrijk beschermheer van het toernooi, hield opzienbarende evenementen. In 1455 hield hij in Nancy een toernooi ter gelegenheid van het huwelijk van zijn dochter Margaretha van Anjou met Henry VI van Engeland. Hierbij had Koning Rene een tent, gemaakt van rode, witte en groene zijde, aan een kant van de lists opgezet, en aan de andere kant had hij een groene pilaar neergezet. Rene kwam binnen op zijn paard dat getooid was met een met goud bewerkt paarsfluwelen dekkleed, gevolgd door zes andere ridders op paarden die met fluwelen dekkleden in afwisselende kleuren van karmozijnrood, blauw, zwart, grijs en geel. Het laatste paard droeg de 'witte stof van goud'. Elk dekkleed of caparison was rijkelijk geborduurd met verschillende emblemen. De Graaf van St Pol, Messire de Breze, de Heer van Lotharingen en andere verdedigers evenaarden deze pracht en praal.

De actie van het steekspel geeft een goed beeld van wat er te zien is tijdens een dergelijke gelegenheid. Karel VII zelf reed drie passages tegen Koning Rene, en daarna tegen Pierre de Breze. Er werd gemopperd dat de Breze een te massieve lans gebruikt had (tegen deze tijd werden de lansen duidelijk verzwakt om verzekerd te zijn van een spectaculaire breuk), omdat de koning van Frankrijk zijn schild verloren had, hoewel beiden hun lans gebroken hadden. Daarna nam de Graaf van Foix, Gaston IV, de rol van uitdager op zich en ontmoette de Graaf van St Pol in de list, en stootte hem bijna van zijn paard af. In zijn derde passage raakte de Graaf van Foix zijn tegenstander, de Heer van Lotharingen, met zo'n kracht dat de stukken van de lans hoog in de lucht vlogen, onder het gejuich van het publiek. Zijn vierde passage tegen Pierre de Breze mislukte omdat het paard van de Breze een weigering maakte. De Graaf van Foix reed in totaal twaalf passages en brak elf lansen, en stootte een tegenstander van zijn paard (zoals eerder gezegd, waren het er bijna twee). Er werden tien andere uitdagingen gedaan, waarbij tussen de zes en elf lansen gebroken werden. Aan het einde van de dag werd de prijs voor de uitdagers aan de Graaf van Foix gegeven en de prijs voor de beste verdediger ging naar de graaf van St Pol.

Koning Rene hield nog meer steekspelen. In 1446 te Chinon noemde hij het evenement 'Emprise de la gueule de dragon', ofwel 'De Onderneming van de Bek van de Draak'. Een draak rampant was op een pilaar gezet die in het midden van het marktplein geplaatst was. Aan de draak hingen de schilden van de vier 'verdedigers'. Elke dame die langs deze pilaar kwam, moest begeleid worden door een ridder, die twee lansen uit naam der liefde moest breken.

Het volgende toernooi van Koning Rene was te Saumur, ook in 1446. Deze gebeurtenis werd 'Le pas de la joyeuse garde' genoemd. Centraal in dit toernooi stond een houten nep-kasteel - vernoemd naar het fort van de liefde uit de Arthur legendes. Het was een astronomische gebeurtenis van genot. De processie werd geleid door twee mannen die, gekleed als Turken, echte leeuwen aan zilveren kettingen leidden, daarna kwamen percussionisten en fluitisten en juryleden te paard. Daarna kwam het schild met het wapen van Rene, gedragen door een dwerg, gevolgd door Koning Rene zelf, die geleid werd door een dame door middel van haar sjaal, die aan het hoofdstel van het paard gebonden was.

De derde onderneming van Rene was te Tarascon, in 1449, en hoewel het programma en de locatie erg complex was, was het een bescheiden gelegenheid, ontwikkeld als persoonlijk vermaak en niet als een groots publiekelijk spektakel.

De passie van Rene van Anjou voor dergelijke evenementen is samengevat in zijn verhandeling over het organiseren van toernooien, dat bestaat uit zijn bevindingen over hoe dergelijke evenementen het beste geregeld konden worden. Veel van deze praktijken lijken al bestaan te hebben, en andere evenementen lijken in navolging van wat opgeschreven was te zijn georganiseerd.

Grootse evenementen werden in heel het Christendom gehouden: in 1441 te St Omer, in 1443 te Dijon (Pas de l'abre de Charlemagne), te St Omer in 1440, te Calais in 1449 (Pas de la Belle Pelerine), te Chalon sur Salone in 1449 (Pas de la Fontaine de Pleurs), te Barcelona in 1455 (Pas de pin aux pommes d'or), te Brugge in 1463 (Pas du Perone Fee), te Brugge in 1468 (ter gelegenheid van het huwelijk van Hertog Karel de Stoute van Bourgondië met Margaretha van York) en te Gent in 1477 (Pas d'armes de la Dame Sauvage). Al deze evenementen werden door veel kleur en rijkdommen opgeluisterd, thema's uit de mythologie of van ridderlijke dwalingen uit Arthuriaanse romances; soms was er zelfs gratis wijn voor alle toeschouwers, geschonken uit rijk versierde en onuitputtelijke fonteinen!

Het meest opmerkelijke toernooi in Engeland werd in 1467 te Smithfield gehouden. De zwager van Koning Edward IV, Anthony Woodville, de Heer van Scales daagde Antoine de la Roche, de Bastaardzoon van Hertog van Bourgondië, Philips de Goede, uit. Beiden werden als beste jouster uit die tijd beschouwd in hun eigen land en deze ontmoeting van kampioenen zou een waar spektakel moeten zijn. Toen de dag kwam, werd het gevecht ongelukkigerwijs verpest door de dood van het paard van Antoine. Het werd volgehouden dat dit per ongeluk gebeurde (het zou kunnen zijn dat het paard van de Haar van Scales een getraind oorlogspaard was en dat die, ongevraagd, het op zich had genomen zichzelf op het andere dier te storten). Het gevecht zette zich te voet voort met pole-axe waarbij de Heer van Scales de Bourgondische kampioen overmeesterde.


De melee tijdens het toernooi (in het midden, recht onder de grijze vlag, zit een ridder op de houten reling, hij heeft oneervol gedrag vertoond en mag niet meedoen!)

Inhoudsopgave

De teloorgang van het steekspel

Het steekspel had in Engeland een korte renaissance ten tijde van Hendrik VIII, die het meest opgemerkt werd door zijn toernooi in Calais, genaamd 'het Veld van de Stof van Goud' vanwege het tentenkamp dat gemaakt was van stof van goud. Het steekspel verdween daarna langzamerhand - de opkomst van vuurwapens in oorlogsvoering zorgde ervoor dat de zwaar bepantserde lansdrager van het slagveld verdween. Cavalerie spelen bevatten zulke spelen als de carrousel-training voor lichte cavalerie waarbij verschillende units in een bepaald circuit reden en hun pistolen herlaadden nadat ze naar het doel gereden waren en geschoten hadden.

Het steekspel verdween helemaal toen de Dertigjarige Oorlog in 1618 in Duitsland uitbrak. Verandering in houding van de adel zorgde ervoor dat er geen nadruk meer werd gelegd op de romances en idealen die het toernooi omvatten.

De pogingen naderhand om deze sport nieuw leven in te blazen moesten vechten met de initiële financiële uitgaven die het kopen van een harnas met zich meedroegen, iets wat onder de adel in de middeleeuwen in overvloed aanwezig was. De belangrijkste poging was het Eglington Toernooi in Schotland dat in 1839 gehouden werd gedurende de gotische opleving tijdens de heerschappij van Koningin Victoria. Ondanks dat een fortuin werd uitgegeven gooide het weer roet in het eten en werd het toernooi een grote mislukking.

In Nederland is bijna honderd jaar geleden, in 1908, op de Markt in Delft ter ere van het twaalfde lustrum van studenten onder de noemer 'Lorenzo De Medici' een toernooi heropgevoerd. Lorenzo I, bijgenaamd il Magnifico (1449-1492) was een zoon van Piero I, de Jichtige. Hij was een van de beroemdste leden van het geslacht de Medici en heerst over de republiek Florence tijdens het hoogtepunt van de Italiaanse reanissance. Samen met zijn broer Giuliano zette hij het beleid van zijn grootvader Cosimo voort. Onderstaande foto laat een deel van het grootse spektakel zien dat voor de Delftse bevolking werd opgevoerd [1].

Vandaag de dag is het steekspel weer in opkomst, er worden ook jaarlijks competitieve toernooien gehouden. Stichting Historisch Educatief Initiatief is in Nederland uniek voor het neerzetten van een middeleeuws toernooi, en is daar met recht trots op.

Inhoudsopgave

Referenties

[1] Delft op Zondag, 7 november 2004. 'Dubbel Delft'. Foto: Tiemen van der Reyken.

Overige illustraties op deze pagina: BNF Richelieu Manuscrits Français 2692 René d'Anjou, Livre des tournois, Maître du cardinal de Bourbon

Anglo, Sydney. The Martial Arts of Renaissance Europe. Yale University Press. 2000. ISBN 0-300-08352-1

Barber, Richard. Barker, Juliet. Tournaments. Boydell Press, Woodbridge. 1989. ISBN 0-85115-781-5

Clark, John (editor). Medieval Finds from Excavations in London no. 5. The Medieval Horse and its Equipment. HMSO Publication Center, London. 1995 ISBN 0-11-290485-8

Hyland, Ann. The Horse in the Middle Ages. Sutton Publishing. 1999. ISBN 0-7509-10674-4

Vaughan, Richard. Charles the Bold. The Boydell Press. 2002. ISBN 0-85115-918-4